Recent onderzoek bevestigt een verontrustende waarheid over virale uitbraken: virussen hoeven geen speciale eigenschappen te ontwikkelen om van dieren op mensen over te springen. In plaats daarvan zijn pandemieën waarschijnlijker het gevolg van bestaande ziekteverwekkers die in kwetsbare omstandigheden terechtkomen die zijn gecreëerd door menselijke activiteit. De studie, waarin de genetische geschiedenis van influenza A, Ebola, mpox, SARS en SARS-CoV-2 werd geanalyseerd, vond geen bewijs van pre-aanpassing van virussen voordat ze zich verspreidden.
De mythe van het “supervirus” ontkracht
Jarenlang gingen wetenschappers ervan uit dat virussen aanzienlijke mutaties moesten ondergaan voordat ze mensen konden infecteren. Dit betekende dat het pandemische potentieel een zeldzame evolutionaire doorbraak was. De nieuwe bevindingen suggereren echter dat veel virussen al het basisvermogen bezitten om mensen te infecteren. Het echte probleem is niet de virale aanpassing, maar de menselijke blootstelling aan een breed scala aan door dieren overgedragen ziekteverwekkers.
Dit is niet alleen een academisch punt. De studie onderstreept de rol van menselijke inbreuk op wilde dieren, de veehouderij en de handel in wilde dieren als voornaamste aanjagers van het ontstaan van zoönotische ziekten. Deze activiteiten verhogen de frequentie waarmee mensen virussen tegenkomen die kunnen overslaan, zelfs als die virussen geen speciale kenmerken hebben ontwikkeld om mensen te infecteren.
Oorsprong van COVID-19: geen bewijs van laboratoriummanipulatie
De auteurs van het onderzoek gingen ook in op het voortdurende debat over de oorsprong van COVID-19. Uit hun analyse bleek dat er geen genetisch bewijs was dat SARS-CoV-2 in een laboratorium werd ontwikkeld of langdurige evolutie onderging in een tussengastheer voordat het mensen infecteerde. Dit versterkt de argumenten voor een natuurlijke zoönotische oorsprong, hoewel de exacte dierlijke bron onduidelijk blijft.
“Vanuit evolutionair perspectief vinden we geen bewijs dat SARS-CoV-2 werd gevormd door selectie in een laboratorium of langdurige evolutie in een tussengastheer voorafgaand aan zijn opkomst.”
Een zeldzame uitzondering: de H1N1-griep van 1977
Het onderzoek identificeerde wel één uitschieter: de AH1N1-grieppandemie van 1977. De genetische signatuur van dat virus duidt sterk op een ontsnapping uit het laboratorium, mogelijk uit een mislukte vaccinproef. Deze zaak herinnert ons eraan dat laboratoriumongevallen een mogelijke, zij het minder frequente, bron van uitbraken zijn.
Focus op preventie: het grotere plaatje
De kernboodschap van het onderzoek is duidelijk: we moeten prioriteit geven aan surveillance, preventie en het verminderen van contact tussen mens en dier boven het zoeken naar zeldzame virale mutaties. De meest effectieve manier om toekomstige pandemieën te voorkomen is niet wachten tot virussen zich ontwikkelen, maar het veranderen van het gedrag waardoor ze in contact komen met menselijke populaties.
Door te verduidelijken hoe pandemieën beginnen, kunnen we de middelen inzetten waar ze er echt toe doen: het verkleinen van de mogelijkheden voor het voortdurende spervuur van virale overloop.
























